Sterk werk

De Stichting Beelden in Leiden biedt met haar jaarlijkse openlucht-tentoonstelling op de Hooglandse Kerkgracht een podium aan jonge Nederlandse beeldhouwers. Dit jaar zijn de meeste exposanten zelfs nog maar pas afgestudeerd. Voor hen is de tentoonstelling een prachtige kans om na de betrekkelijke beslotenheid van de academie met hun werk naar buiten te treden, in dit geval ook letterlijk.

 

De Stichting Beelden in Leiden wil de jongeren met het organiseren van de tentoonstelling daadwerkelijk een stap laten maken in hun ontwikkeling naar een professioneel kunstenaarschap. Hoe serieus de Stichting deze rol neemt, blijkt onder meer uit haar samenwerking met professionele partners op alle gebied, niet alleen bij de selectie van de kunstenaars en de jurering voor de Frans de Wit Prijs, maar bijvoorbeeld ook bij de werving van sponsorgelden, het transport van de kunstwerken en de vormgeving van de publiciteitsmiddelen. Het initiatief om juist nu, in een tijd dat cultuur door velen als een overbodige luxe wordt gezien, voor de beeldende kunst in de bres te springen, verdient alle lof. Het laat de mensen zien dat creativiteit een kracht is die ons onder alle omstandigheden kan inspireren, die ons kritisch en scherp houdt en ons vertrouwen geeft voor de toekomst.


MARTIJN SANDERS
verzamelaar van moderne kunst en
voormalig directeur van Het Concertgebouw

 


De archeoloog van de toekomst zal ongetwijfeld naar onze tijd verwijzen als het betonnen tijdperk. Beton is tegenwoordig overal. Hoewel de meeste mensen bij een beeldhouwwerk niet direct aan beton denken, wordt het al weer zo’n honderd jaar gebruikt door beeldhouwers. Maar echt populair is het nooit geworden. Beton kampt met een imagoprobleem dat ervoor heeft gezorgd dat de mogelijkheden van het materiaal voor de kunst slechts mondjesmaat zijn benut. Mede om die reden werd voor Beelden in Leiden 2014 aan negen jonge Nederlandse beeldhouwers gevraagd een sculptuur te maken die gedeeltelijk of geheel uit beton bestaat.
Daarnaast werd ‘betonbeeldhouwer’ Ruud Kuijer gevraagd met een aantal presentaties van zijn werk op verschillende plekken in Leiden te laten zien dat beton en kunst heel goed samengaan.

Beton wordt geassocieerd met gebouwen die niet zozeer mooi hoeven zijn als wel snel en goedkoop gebouwd moeten kunnen worden. Dat er wel degelijk mooie betonarchitectuur is, daar hoor je weinig over. Bij lelijke gebouwen krijgt het beton de schuld, bij mooie gebouwen gaat alle eer – terecht – naar de architect. Bij beelden is dat precies zo. Hoeveel mensen zouden weten dat het beeld De voetballer van Henk Chabot, in 1937 gemaakt voor De Kuip in Rotterdam, in beton gegoten is? Je kijkt vooral naar wat het beeld voorstelt, naar de expressie van de figuur, naar zijn volkse voorkomen, dat zo goed past bij de club waar hij voor staat. Het materiaal is bijzaak – dat wil zeggen: voor de kijker, want voor de maker is het een heel ander verhaal. Voor hem is het maken van kunst in zekere zin een voortdurend gevecht met het materiaal.

Om aan zijn verbeelding vorm te geven, moet hij het zijn wil opleggen. Hoeveel moeite dat kost, verschilt per materiaal, maar beton laat zich net als brons in een mal gieten en kan na droging tot in lengte van dagen weer en wind doorstaan. Eigenlijk is het raar dat beton niet massaal door kunstenaars wordt omarmd.

Eind negentiende eeuw werd in de bouwsculptuur, oftewel beeldhouwwerk aan gebouwen, al gebruik gemaakt van portlandcement. Deze voorloper van hedendaags beton komt dicht in de buurt van het beton waarmee de oude Romeinen immense bouwwerken als het Pantheon en het Colosseum realiseerden. In Nederland was het
de Utrechtse kunstenaar Erich Wichman die rond 1916 onderzoek deed naar de mogelijkheden van modern beton voor de beeldende kunst. Wichman was vrij kunstenaar, maar werkte ook voor de Nederlandse Betonijzerbouw. Hij haakte aan bij de techniek van het metaliseren van beton, dat tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen materialen schaars waren, werd ingezet om duurdere natuursteensoorten te imiteren. Typische bouwbeeldhouwers als Hildo Krop en John Rädecker pasten op verzoek van hun opdrachtgevers eveneens
beton toe en experimenteerden met het nieuwe materiaal in hun autonome oeuvre. Een van de bekendste beelden van Rädecker is zijn eigen grafmonument in Blaricum, dat een gevleugelde figuur voorstelt, gemaakt van beton en daarom ook wel ‘betonmannetje’ genoemd.

Met de wederopbouw van Nederland na de Tweede Wereldoorlog werd beton het meest toegepaste bouwmateriaal. In de architectuurstijl die functionalisme heet, kozen architecten ervoor om materialen en constructies in hun onverbloemde, pure vorm te laten zien. De symbolische en versierende bouwsculptuur, die tot en met de jaren dertig in Nederland de norm was, raakte na de oorlog volledig uit de gratie. Architecten wilden geen sculptuur meer aan hun gebouwen. Sommige beeldhouwers begonnen toen met het maken van beelden die feitelijk architectonische constructies zijn en vaak werden uitgevoerd in ijzer of beton. Een van de belangrijkste
Nederlandse beeldhouwers van deze constructivistische richting is Carel Visser, die onder meer in 1968 een betonnen speelsculptuur maakte voor Oegstgeest. Andere voorbeelden zijn het Monument voor Rijkswaterstaat in Den Haag van Joop Beljon uit 1969, dat zich ook qua schaal kan meten met de architectuur, en Vierkant eiland in
de plas van Frans de Wit in Rotterdam, ontstaan tussen 1993-1996, dat met zijn grondvlak van ruim vijftig bij vijftig meter een van de grootste sculpturen van Nederland is.

Beton is ervoor gemaakt om op monumentale schaal te worden toegepast. Voor de zeven meter hoge Olifanten van Tom Claassen langs de snelweg bij knooppunt Almere, daterend van 1999-2000, werden staalconstructies opgevuld met tempex en bekleed met spuitbeton, dat op overtuigende wijze een ruwe olifantenhuid imiteert. Tussen 2001 en 2013 maakte Ruud Kuijer voor het industrieterrein de Lage Weide in Utrecht een serie van zeven
betonnen collage-sculpturen, geplaatst langs het Amsterdam-Rijnkanaal en getiteld Waterwerken, waarvan de hoogste tot twaalf meter reikt en die ondanks hun monumentaliteit een heel lichte en speelse indruk wekken. Dat beton zich behalve voor dergelijk grote projecten ook wel degelijk leent voor kleiner werk bewijst Kuijer met sculpturen die voor de huiskamer zijn bedoeld en gemakkelijk op een tafel of een kastje passen. Hij stelde de
composities samen uit plastic koffiebekertjes, voorgevormde verpakkingsmaterialen en andere alledaagse dingen, die hij vervolgens in één keer in beton afgoot.

Beton is kortom een materiaal dat weliswaar niet heel populair is onder kunstenaars, maar dat tegelijkertijd niet meer weg te denken valt uit de moderne beeldhouwkunst. Doordat de betonindustrie zich continu vernieuwt, nemen de mogelijkheden zelfs alleen maar toe. Voor de negen talentvolle jonge beeldhouwers die meedoen aan Beelden in Leiden 2014 – Luuk van Binsbergen, Tim Breukers, Kim van Erven, Marleen Hartjes, Catinka Kersten, Jimi Kleinbruinink, Nadine van Veldhuizen, Dieke Venema en Izaak Zwartjes – was het de eerste keer dat zij met het materiaal werkten. Voor sommigen zal het misschien bij deze ene keer blijven, anderen voegen het materiaal toe aan hun bestaande arsenaal om er later nog eens op terug te grijpen en wie weet is er zelfs een enkeling die inmiddels zozeer door beton is gegrepen dat dit voortaan een hoofdrol gaat spelen in zijn of haar oeuvre. Op die manier kan beton in de Nederlandse beeldhouwkunst nog een mooie toekomst tegemoet gaan.


FEICO HOEKSTRA
curator Beelden in Leiden

De kunstenaars bij/in het:

Programma 2019

16 mei - Opening tentoonstelling Hooglandse Kerkgracht,

Hooglandse Kerk

februari - Masterclass Joep van Lieshout

27 juni - Frans de Witlezing

 

Beelden in Leiden 2019

Volg ons

en blijf op de hoogte

Welkom! Deze website maakt gebruik van cookies

Deze website maakt gebruik van cookies om uw ervaring op onze website te verbeteren. We gebruiken deze cookies alleen voor het verzamelen van analytische gegevens. Deze gegevens zijn volledig anoniem en uw privacy wordt hierin niet aangetast.